Begin februari stelde stedenbouwkundige Hans Vandermaelen (UGent-ILVO) zijn doctoraatsonderzoek over de rol die steden kunnen spelen in het verduurzamen van landbouw voor. Wij spraken hem over publieke gronden, hongerige steden en individuele boeren die met collectieve verantwoordelijkheden opgezadeld worden. ‘Niet de voedselproductie moet aangepast worden aan de huidige stad, maar omgekeerd.’

Hans Vandermaelen

‘Als we een ander soort voedselproductie willen, dan hebben we ook een ander soort stedenbouw nodig’, stelt Hans Vandermaelen als we hem spreken naar aanleiding van zijn doctoraat De verstedelijking van de agro-ecologische reproductie van bodemvruchtbaarheid (2023). Hierin buigt de geograaf en stedenbouwkundige zich over het stedelijke voedselvraagstuk: hoe zorgen steeds minder landbouwers ervoor dat er steeds meer stedelingen gevoed worden?

‘Verstedelijking en voedselproductie staan vandaag lijnrecht tegenover elkaar’, zegt hij. ‘In veel opzichten is dat onhoudbaar. De ambitie van het onderzoek is om voedselproductie en stedenbouw naar elkaar toe te brengen. Dat was geen zoektocht naar een ander soort voedselproductie, maar naar een ander soort stedenbouw. Eén die niet de teloorgang van de landbouw veroorzaakt, maar net een context creëert waarbinnen andere voedselproductiesystemen kunnen ontstaan.’ 

Omdat hij geen achtergrond in landbouw had, volgde Hans als deel van zijn doctoraatsonderzoek een opleiding bij Landwijzer. ‘Dat heeft wat uitleg gekost bij m’n promotoren’, lacht hij. ‘Ze waren er gelukkig rap voor gewonnen. Tijdens die opleiding verdiepte ik me in wat er allemaal in de agro-ecologische beweging leeft en ontdekte ik wat relevante thema’s konden zijn die binnen mijn focus op agro-ecologische stedenbouw zouden passen. Een van de hoofdthema’s waarop ik begon te focussen was niet publieke grond, maar bodemvruchtbaarheid.’

Waarom bodemvruchtbaarheid? 
Hans: ‘Omdat het zo belangrijk is in de opleiding van Landwijzer en in de agro-ecologie. Toen ik ontdekte dat bodemzorg een verantwoordelijkheid is die vaak bij de individuele boer wordt gelegd, vanuit het idee dat die dat op zijn boerderij wel opgelost krijgt, had ik mijn kapstokje gevonden om agro-ecologie aan stedenbouw op te hangen. Hoewel individuele boeren een belangrijke rol spelen, leggen we bij hem veel verantwoordelijkheden die we collectief moeten oppakken.’

Bij wie ligt die collectieve verantwoordelijkheid voor bodemvruchtbaarheid als die niet bij de boer ligt?
Hans: ‘Niet zozeer bij een overheid, maar bij de samenleving als geheel. Het klinkt vandaag misschien nieuw en exotisch maar er bestaat veel historische literatuur waarin de relatie tussen samenlevingen en hun bodem wordt blootgelegd. De laatste decennia van de twintigste eeuw zijn we de bodem wat uit het oog verloren. Er was echt een tijd waarin de uitdagingen van de landbouw niet alleen de verantwoordelijkheid waren van boeren, maar ook van de bredere samenleving, inclusief stadsbewoners die afhankelijk waren van voedselproductie. Zo had je vroeger in Zemst een grote beerputinfrastructuur waarin mest van Antwerpen per trein naartoe werd gebracht zodat de lokale boeren deze op hun akkers konden verspreiden.’ 

‘Je vindt veel van zulke voorbeelden terug waarbij stedelingen die afhankelijk waren van de voedselproductie van anderen zich ook actief bekommerden om de bezorgdheden en uitdagingen van landbouwers. Die bezorgdheid zijn we vandaag helemaal kwijt. Dat is problematisch. Na verloop van tijd krijg je dan een samenleving waarbinnen agro-ecologische boeren moeilijk die voedselproductie nog op zich kunnen nemen. Duurzame voedselproductiesystemen komen dan in het gedrang.’

PUBLIEKE GROND

Op deze manier is het geen grote sprong van landbouw en voedselbeleid naar ruimtelijke planning en stedenbouw. Gaandeweg ontdekte Hans dat publieke grond een van de dingen is waarmee beleid, stedenbouw en lokale besturen een grote bijdrage kunnen leveren aan het ondersteunen van bodemvruchtbaarheid. Omdat instellingen via de grond die ze verpachten (of in bezit houden) duurzame (bio)landbouw mogelijk maken, er eventueel zelfs beleid mee kunnen voeren. 

Alleen was er een groot manco: er bestaat geen uitgebreid overzicht van het grondbezit van publieke instellingen in de vorm van cijfermatige gegevens of kaarten. Om die leemte op te vullen onderzocht Hans Vandermaelen alle publieke grondtransacties in de provincie Oost-Vlaanderen tussen 2010 en 2020 nauwkeurig. ‘Hoe kan je grondbeleid voeren als je niet weet wat je moet verstaan onder publieke grond’, stelt Hans. ‘Waarover spreken we als we over publieke grond spreken? Hoeveel is er van? Het debat gaat altijd over wat er verkocht wordt en nooit over wat er resteert of aangekocht wordt. Het ontbreken van data over publieke grond is een van de grootste hiaten in het grondbeleid.’ 

Voor zijn onderzoek becijferde hij onder andere dat in Oost-Vlaanderen het publieke grondbezit op 10 jaar tijd met 11% is gestegen. Voor veel beleidsdoelen werd er grond gekocht, zoals natuur en lokale parken, maar niets voor landbouw.

Hoe verklaar je dat besturen iets belangrijks als voedselproductie en grond zo over het hoofd zien?
Hans: ‘De vervreemding van de stedelijke samenleving tot de landbouwsector lijkt de belangrijkste verklaring. We vinden het allemaal zo evident dat boeren aan landbouw doen en voedsel produceren dat we ze uit het oog verliezen. Maar als je die voedselproductie dan eens wat nader gaat bekijken, ontdek je dat dit verre van evident is. Ze zijn zo afhankelijk van de context waarin ze verondersteld worden voedsel te produceren.’

‘Daarom is het belangrijk om de stedelijke samenleving en voedselproductie naar elkaar toe te brengen. Omdat je dan merkt dat er collectieve verantwoordelijkheden zijn die we niet bij individuele boeren mogen parkeren. Je kan hen niet vragen om in onze plaats aan alle maatschappelijke verwachtingen te beantwoorden. Het feit dat ze stilaan verdwijnen, bewijst dat dat niet leefbaar is. Op een bepaald moment moet onze samenleving zich toch ontfermen over zo’n structurele teloorgang van boeren, landbouwgrond en -kennis.’

Daarmee is De Landgenoten het meer dan eens. Ook wij vinden dat lokale besturen een verantwoordelijkheid dragen. Via de publieke gronden in hun bezit kunnen zij immers een zinvol beleid voeren voor zowel de voedselproductie in het algemeen, als voor boeren die focussen op een lokale afzet in het bijzonder. De Landgenoten gaat dan ook in gesprek met zowel lokale besturen om hen hiertoe te bewegen. Daarnaast nemen we met een groep betrokken burgers onze verantwoordelijkheid op, en maken we anderen warm om hetzelfdete doen.

Help jij mee aan een duurzamere landbouw en voedselproductie? Word landgenoot en maak met een beetje grond een wereld van verschil.